Haken: meerderen en minderen

Ik hoop dat jullie pannenlap inmiddels gelukt is? We zijn begonnen met een makkelijk vierkant, maar soms is het ook handig om andere vormen te maken. Als je iets wilt haken dat breder of smaller wordt, dan moet je gaan meerderen of minderen.

Steken meerderen is heel eenvoudig door simpelweg twee steken te haken in plaats van één. In het voorbeeld hierboven haak ik vasten, om te meerderen heb ik twee vasten in één steek gehaakt.

Steken meerder kan ook aan de zijkant van je werk: als je een toer hebt gehaakt, dan haak je een aantal lossen. Let wel op dat je je keerlosse(n) niet vergeet te haken, dan draai je je werkje om en haak je gewoon verder in de lossen.

Steken minderen kan door twee steken samen te haken. Je begint met een vaste te haken, maar de laatste omslag maak je niet en trek je niet door de lussen – je laat de twee lussen op je naald zitten en steekt dan je naald in de volgende steek alsof je opnieuw een vaste zou maken, daarna maak je nog een omslag en deze haal je door de drie lussen op de naald. Zo hou je één steek over in plaats van twee.

Heb je vragen of is iets niet volledig duidelijk? Laat het dan gerust
weten in een comment, of stuur een mailtje naar
contact@flowersandfeathers.be

Continue Reading

Haken: eerste project – pannenlap

Ondertussen hebben we alle basissteken geleerd, maar het is natuurlijk altijd fijner om iets te maken dat je kan gebruiken. Tijd dus om een eerste projectje te haken: een pannenlap, leuk om zelf te gebruiken of om cadeau te doen. Bovendien is een pannenlap geen groot project, dus je hebt al vrij snel iets mooi gehaakt.

Je hebt nodig:
– 2 kleuren garen (wol/acryl), ik gebruikte Schachenmayr Universa (o.a. verkrijgbaar bij Veritas)
– haaknaald 3,5 mm
– schaar
– naald

De pannenlap meet 22 bij 22 cm, maar dit kan een beetje verschillen, afhankelijk van hoe los of vast je haakt. In het patroon gebruiken we twee kleuren, kleur A (in het voorbeeld is dit grijs) en kleur B (in het voorbeeld is dit blauw), dit wordt ook zo aangeduid in het patroon.

Van kleur wisselen:
Een andere kleur gebruiken kan ervoor zorgen dat je werk er interessanter uitziet, van kleur wisselen is vrij eenvoudig. Je haakt een toer met kleur A en wilt in de volgende toer haken met kleur B: bij de eerste keerlosse maak je de omslag met kleur B, daarna haak je de volgende keerlossen met kleur B, keer je werk en knip de draad van kleur A af zodat je een stukje draad van ongeveer 7cm overhoudt. 

Patroon:
– In kleur A: begin met een ketting van 43 lossen (de laatste 3 lossen tellen als eerste stokje van de volgende toer)
– 1e toer: in de vierde losse vanaf de naald haak je een stokje, haak daarna in elke losse een stokje
– 2e en 3e toer: haak 3 keerlossen (telt als je 1e stokje), sla de eerste steek over, vanaf de tweede steek haak je in elke steek een stokje
– 4e toer, in kleur B: haak 1 keerlosse, sla de eerste steek over, haak in elke volgende steek een vaste
– 5e en 6e toer, in kleur A: haak 3 keerlossen, sla de eerste steek over, haak in elke volgende steek stokjes
– 7e en 8e toer, in kleur B: haak 1 keerlose, sla de eerste steek over, haak in elke volgende steek een vaste
– 9e tem 11e toer, in kleur A: 3 keerlossen, 1 steek overslaan, daarna in elke steek een stokje haken
– 12e en 13e toer, kleur B: 1 keerlosse, 1 steek overslaan, in elke steek vaste haken
– 14e en 15e toer, kleur A: 3 keerlossen, 1 steek overslaan, daarna in elke steek een stokje haken
– 16e tem 20e toer, kleur B: 1 keerlosse, 1 steek overslaan, in elke volgende steek vaste haken
– 21e en 22e toer, kleur A: 3 keerlossen, 1 steek overslaan, in elke volgende steek een stokje haken
– 23e en 24e toer, kleur B:  1 keerlosse, 1 steek overslaan, in elke volgende steek een vaste haken
– 25e tem 27e toer, kleur A: 3 keerlossen, 1 steek overslaan, in elke volgende steek een stokje
– 28e en 29e toer, kleur B: 1 keerlosse, 1 steek overslaan, in elke volgende steek een vaste
– 30e en 31e toer, kleur A: 3 keerlossen, 1 steek overslaan, in elke volgende steek een stokje
– 32e toer, kleur B: 1 keerlosse, 1 steek overslaan, in elke volgende steek een vaste
– 33e tem 35e toer, kleur A: 3 keerlossen, 1 steek overslaan, in elke volgende steek een stokje
Je werk afsluiten doe je door een halve vaste te haken, dit is voor elk werk hetzelfde: je knipt de draad af op ongeveer 10cm en haakt dan je halve vaste, de losse draad trek je volledig door het lusje op je haaknaald, waardoor je een soort knoopje krijgt zodat je werkje vastzit en niet losgetrokken kan worden. 

Als alles goed gaat en alle draadjes weggewerkt zijn, dan ziet je pannenlap eruit zoals op de foto hierboven. Draadjes wegwerken doe je door de losse draadjes met een naald in het werk te weven en daarna af te knippen. Je zorgt er best voor dat je de draadjes wegwerkt in een rij met dezelfde kleur, dan valt dit nauwelijks op. Het lijkt misschien verleidelijk om de losse draadjes met een knoopje vast te leggen, maar dit is geen mooie afwerking en dan zie je de draden duidelijk zitten. Je kan dus best de losse draden tussen een paar steekjes weven en daarna zo kort mogelijk afknippen.

De afwerking
Je pannenlap ziet er nu nog een beetje onafgewerkt uit. Een randje rond je werk haken zorgt voor een mooie afwerking.

Een eenvoudige rand haak je zo:
1. Maak een opzetlus met kleur B, aan de rechterbovenhoek van je werk begin je met vasten te haken
2. Haak in elke steek een vaste
3. Eens je aan een hoekje komt, dan haak je 3 vasten in één steek. Hierdoor kan je om de hoek haken en daarna verdergaan met vasten te haken langs de andere randen.
Dit herhaal je tot je helemaal rond je werk gehaakt hebt.

Een lusje om je pannenlap omhoog te hangen is best handig. Als je de rand gehaakt hebt, dan kan je een eenvoudig lusje haken.

1. Haak 15 lossen
2. Met een halve vaste maak je het lusje vast aan de eerste vaste die je voor je rand gehaakt hebt.
3. Keer je werk om, haak rond de lossen 15 vasten. Je steekt de naald dus niet in de lossen, maar in de grote lus zelf. Sluit je werk terug af met een halve vaste, werk de resterende draadjes weg en klaar is je eerste project!

Met 2 bollen garen heb je ruim voldoende om twee pannenlappen te haken in verschillende kleurencombinaties, je kan bijvoorbeeld een tweede pannenlap haken met de omgekeerde kleurencombinatie.
Wil je nog eens een overzicht van alle steken? In mijn vorige posts vind je alle informatie over de opzetlus en losse, vaste en halve vaste, en ook over stokjes haken.

Heb je vragen of is iets niet volledig duidelijk? Laat het dan gerust
weten in een comment, of stuur een mailtje naar
contact@flowersandfeathers.be

Continue Reading

Haken: stokje en half stokje

Hopelijk hebben jullie al wat geoefend op vasten en halve vasten te haken, want vandaag komen er weer twee haaksteken bij: het stokje en half stokje. Deze steken geven meer hoogte dan de vaste. Er bestaan trouwens allerlei variaties op het stokje, zoals een half stokje of een dubbel stokje. De meest gebruikte zijn het stokje en half stokje, vandaar dat we deze ook eerst behandelen.

Om een stokje te haken volg je volgende stapjes:
1. We beginnen met een ketting van lossen
2. Maak een omslag
3. In de 4e losse vanaf de naald steek je de haaknaald
4. Maak nog een omslag
5. Haal de draad door één lusje (de losse waar je de naald in stak), nu heb je 3 lusjes op de naald
6. Maak nog een omslag
7. Haal de draad door twee lusjes, dus nu hou je twee lusjes over op je naald
8. Maak nog een omslag en haal de draad door de twee resterende lussen op de naald, je houdt nu één lusje op de naald over en kan dan beginnen aan je volgend stokje

Een rij stokjes ziet er uit zoals op de foto hierboven. Een stokje is even hoog als drie lossen. Als je aan de volgende toer begint, gaat dit als volgt: je haakt eerst drie keerlossen, dit telt als je eerste stokje, dan draai je je werk en haak je het eerste echte stokje in het voorlaatste stokje van de vorige toer. Daarna kan je in elke steek van de vorige toer een stokje haken.

Een half stokje is iets eenvoudiger en gaat als volgt:
1. Maak een omslag
2. Steek je haaknaald in de haaksteek waarop je je half stokje haakt
3. Maak nog een omslag
4. Haal de draad door één lusje (de steek waar je de haaknaald in stak), je houdt drie lusjes over
5. Maak nog een omslag
6. Haal de draad door de drie lussen op je naald, je houdt één lusje over en hebt nu een half stokje gehaakt

Een half stokje is minder hoog dan een stokje. Hierdoor heeft een half stokje maar twee keerlossen. Als je begint vanuit een ketting van lossen, dan begin je dus in de derde losse vanaf de naald. Als je een rij gehaakt hebt, dan begin je de volgende rij volgens hetzelfde principe als bij het stokje. Je haakt dus eerst twee keerlossen, dit telt als eerste half stokje, daarna haak je het eerste echte halve stokje in de voorlaatste steek van de vorige toer.

Om te oefenen begin je met een ketting van 25 lossen, de laatste drie lossen tellen als je keerlossen voor de stokjes. Je kan een aantal rijen stokjes haken en afwisselen met een paar rijen halve stokjes. Zo zie je ook duidelijk het verschil tussen beide steken.

Laat je trouwens niet afschrikken door het aantal stapjes die hierboven omschreven staan, ik heb geprobeerd elke steek in duidelijke stapjes uit te leggen zodat alles op de foto’s zichtbaar is. De stokjes en halve stokjes zijn vrij makkelijk eens je ze in de vingers hebt, het is dus gewoon een kwestie van oefenen.

Heb je vragen of is iets niet volledig duidelijk? Laat het dan gerust
weten in een comment, of stuur een mailtje naar
contact@flowersandfeathers.be

Continue Reading

Haken: vaste en halve vaste

We leerden reeds de absolute basis met een opzetlus en lossen, maar met enkel een ketting van lossen geraak je niet zo ver natuurlijk. Vandaag leren we een vaste en halve vaste haken, twee belangrijke steken voor vele haakprojecten.

Om een vaste te haken, volg je volgende stappen:
1. Als basis gebruiken we een ketting van lossen
2. Elke losse heeft de vorm van een V, als je hierop let, kan je makkelijk je steken tellen. In de voorlaatste losse die je gehaakt hebt, ofwel de tweede losse vanaf de naald steek je je haaknaald.
3. Maak een omslag
4. Haal de draad door het eerste lusje op je naald, nu hou je twee lussen over
5. Maak nog een omslag
6. Haal de draad door beide lussen op de naald. Je hebt nu een vaste gehaakt.

Op de voorlaatste foto zie je hoe een rij vasten eruitziet. Heb je een toer vasten gehaakt en wil je aan je volgende toer beginnen, dan haak je eerst één keerlosse, daarna draai je je werk om en kan je aan de volgende toer vasten beginnen.

Een halve vaste is simpeler dan een vaste en doe je zo:
1. In de eerste steek vanaf je naald steek je je haaknaald
2. Maak een omslag en haal de draad door beide lussen. Je halve vaste is gehaakt.
Een halve vaste heeft geen keerlosse.

Om te oefenen zet je 21 lossen op, de laatste losse die je gehaakt hebt, is je keerlosse. In de tweede steek vanaf de naald haak je de eerste vaste, daarna haak je in elke losse een vaste. In totaal heb je dus 20 vasten. Zo kan je een aantal rijen vasten en halve vasten haken als oefening.

Heb je vragen of is iets niet volledig duidelijk? Laat het dan gerust
weten in een comment, of stuur een mailtje naar
contact@flowersandfeathers.be

Continue Reading

Haken: opzetlus en losse

Vorige week kondigde ik al aan dat we gaan leren haken, tijd dus om aan de slag te gaan! We beginnen met de opzetlus en losse te haken. Het is vrij eenvoudig, maar ook heel belangrijk dat je dit onder de knie krijgt aangezien je een opzetlus en lossen voor zo wat elk haakwerkje nodig hebt.

Om te beginnen heb je een opzetlus of schuifknoop nodig, dit gaat als volgt:
1. Neem je garen tussen je duim en wijsvinger
2. Maak een lusje met het garen rond je wijsvinger en middelvinger
3. Als je je hand een beetje draait, zie je een mooie lus naast je vingers
4. De lange draad trek je van achter naar voor door het lusje
5. Je hebt nu een losse knoop
6. Als je je haaknaald door de lus steekt, dan kan je aan de lange draad trekken om de lus rond de naald kleiner te maken.

Pas wel op dat je de draad niet té strak aantrekt, anders kan het haken van je eerste steek vrij moeilijk zijn. De lus moet mooi rond je haak passen, zodat je de lus nog vlot kan verschuiven. Als alles goed gaat, zou je iets moeten hebben zoals op de foto hierboven.

Zo wat elk haakwerkje begint met een losse of een ketting van lossen.
1. In je rechterhand hou je de haaknaald, in je linkerhand zit de lange draad die naar je bol garen gaat. Er zijn verschillende manieren om je haaknaald vast te houden, maar ik hou ze op de klassieke manier vast, dus ik neem de haaknaald vast zoals je een pen zou vasthouden. Als je rechtshandig bent, dan zit de haaknaald altijd rechts en het garen zit altijd links.
2. Leg de lange draad één keer over je haaknaald (dit heet een omslag maken). De lange draad steek je onder het haakje en trek je zo door de opzetlus.
3. Nu heb je één losse gehaakt
4. Als je dit herhaalt, dan krijg je een ketting van lossen.

Om te oefenen kan je best beginnen met een ketting van lossen te haken, waarbij je er ook aan denkt om de draad altijd even strak om de naald te leggen. Dit is belangrijk om een gelijkmatig werkje te krijgen, anders krijg je dichte en open steken, wat niet zo mooi is.

Heb je vragen of is iets niet volledig duidelijk? Laat het dan gerust weten in een comment, of stuur een mailtje naar contact@flowersandfeathers.be

Continue Reading